Pensioen in Nederland

Laatst bijgewerkt op

Een aanvulling bij Hangmatbelegger voor het leven, voor lezers die in Nederland wonen.

Wat je uit het Belgische hoofdstuk kunt overslaan

Hoofdstuk 5 van deel 2 rekent met het Belgische stelsel: een wettelijk pensioen dat van je statuut en je loon afhangt, een groepsverzekering of VAPZ, en fiscaal pensioensparen met een eindbelasting op je 60ste. Die bedragen en die fiscale behandeling gelden niet voor jou.

De rest van dat hoofdstuk wel, en dat is het grootste deel: begin bij je uitgaven in plaats van bij je inkomen, corrigeer voor inflatie, en reken uit welk gat overblijft. Ook het volgorderisico, de kritiek op de 4%-regel, de opnamevoet van ongeveer 2,75% en de buffer voor slechte beursjaren gaan over markten en levensduur, niet over Belgische wetgeving. Sla de pijlerbedragen over, niet de methode.

De AOW

De AOW hangt niet af van wat je hebt verdiend, maar van hoeveel jaar je in Nederland verzekerd was. Verzekerd ben je meestal als je in Nederland woont of werkt, dus het gaat om het land en niet om je gemeente, je werkgever of je loon. Je bouwt 2% per verzekerd jaar op over de vijftig jaar voor je AOW-leeftijd. Elk jaar dat je buiten Nederland woonde en werkte kost je dus 2%, oftewel een vijftigste van je AOW. Dat is de scherpste breuk met België, en het raakt vooral wie halverwege zijn loopbaan de grens over ging.

Daarna hangt het bedrag vooral van je woonsituatie af. Vanaf 1 juli 2026 is de volledige AOW € 1.662,16 bruto per maand als je alleen woont en € 1.139,39 bruto per persoon als je getrouwd bent of samenwoont. Netto, met loonheffingskorting, is dat € 1.581,55 en € 1.084,13. In mei komt daar vakantiegeld bij, € 104,78 en € 74,85 bruto per maand. Of je alleen woont of niet scheelt dus € 523 bruto per maand, genoeg om je hele rekensom te veranderen.

De AOW-leeftijd is 67 jaar in 2026 en 2027 en 67 jaar en 3 maanden van 2028 tot en met 2031. Daarna staat die nog niet vast. Jan stopt in het boek op zijn 66ste, dus jij bouwt een jaar tot vijftien maanden langer op en leeft even zoveel korter van je portefeuille.

Heb je in het buitenland gewerkt, dan bepalen belastingverdragen en Europese coördinatieregels waar je verzekerd was en wat waar belast wordt.

Pijler 2 en 3 als werknemer

Als werknemer bouw je je tweede pijler op bij het pensioenfonds of de verzekeraar van je werkgever. In België is die tweede pijler een extraatje. In Nederland is het een uitkering die doorloopt zolang je leeft, en voor veel Nederlanders het grootste deel van hun pensioen.

Dat geld staat niet stil: je fonds belegt het. Volgens DNB zitten Nederlandse pensioenfondsen in dezelfde bouwstenen als een hangmatportefeuille: wereldwijde aandelen, met meer Amerikaanse dan Europese, en obligaties waarvan vooral Europees staatspapier. Ze houden de verhouding tussen aandelen en obligaties binnen vaste bandbreedtes en verkopen of kopen bij zodra die scheef gaat lopen. Dat is het herbalanceren uit dit boek, alleen kiest je fonds de mix en niet jij.

De derde pijler bouw je zelf op, met een lijfrente. Dat is een rekening, een beleggingsrecht of een verzekering waarin je geld stort en die je later vaste uitkeringen betaalt, levenslang of over een afgesproken aantal jaren. Het bijzondere zit in de fiscale behandeling: je mag je storting van je inkomen aftrekken, maar alleen als je een pensioentekort hebt. Je jaarruimte is hoeveel je dat jaar mag storten, en dat is niets anders dan een maat voor dat tekort: hoeveel minder pensioen je vorig jaar opbouwde dan de fiscus toestaat. Bouw je bij je werkgever een volledige regeling op, dan is die ruimte klein of nul. De premie die je werkgever op je loon inhoudt, mag je zelf niet aftrekken.

Waar je die lijfrente onderbrengt bepaalt waarin je belegt. Op een lijfrenterekening staat je geld als spaargeld tegen rente, met een beleggingsrecht koop je er fondsen mee, en bij een verzekering hangt het van de polis af. Op dertig jaar telt die keuze zwaar, om dezelfde reden die het boek bij Belgische tak 21-producten geeft: rente haalt het rendement van aandelen niet in.

Een lijfrente waarvan je de premie mag aftrekken hoort in box 1, en die geef je niet op als bezitting in box 3. Datzelfde geldt voor je werkgeverspensioen. Op onze pagina Belastingen op ETF’s in Nederland lees je wat je wel in box 3 opgeeft en wat die heffing je kost.

Op mijnpensioenoverzicht.nl staan je AOW en al je werkgeverspensioenen bij elkaar, in euro’s per maand. Reken niet met een gemiddelde als je je eigen bedrag kunt opvragen.

Pijler 2 en 3 als zzp’er

Als zzp’er is je pijlermix het spiegelbeeld. Je AOW is identiek, want die hangt van je woonjaren af en niet van je winst of je statuut. Je tweede pijler is er meestal niet: geen werkgever die premie voor je stort, geen verplichte regeling. Wat je in eerdere jaren als werknemer opbouwde staat er nog wel, en dat staat in hetzelfde overzicht.

De derde pijler moet het werk doen, en daar zit het probleem. In 2024 betaalde 10,4% van de zzp’ers lijfrentepremie als pensioenvoorziening. Van de 1,2 miljoen zzp’ers met een hoofdinkomen uit ondernemerschap doet bijna negen op de tien in pijler drie dus niets.

De fiscale ruimte is er wel, en ze is groot. Je jaarruimte is 30% van je premiegrondslag volgens de cijfers voor 2026. Dat is je inkomen min de AOW-franchise van € 19.172, waarbij inkomen boven € 137.800 niet meetelt, met een maximum van € 35.589. Ongebruikte ruimte uit de tien voorgaande jaren mag je alsnog benutten via je reserveringsruimte, tot € 42.753.

Werk je via een bv, dan ben je daar zelf werknemer en verandert het hele plaatje. Deze pagina behandelt die situatie niet. Leg het voor aan een adviseur.

Twee rekenvoorbeelden

Neem twee alleenstaande Nederlanders die in 2026 de AOW-leeftijd bereiken, en houd het doel van Jan uit het boek aan: € 4.000 per maand.

Bram was zijn hele loopbaan werknemer.

  • AOW: € 1.662,16 bruto, € 1.581,55 netto per maand
  • Werkgeverspensioen: het mediane bruto aanvullend pensioen was in 2022 € 10.300 per jaar, ongeveer € 858 bruto per maand
  • Samen ongeveer € 2.520 bruto en € 2.245 netto per maand
  • Gat tot € 4.000: ongeveer € 1.755 per maand

Sanne werkte dertig jaar als zzp’er, bouwde geen tweede pijler op en liet haar jaarruimte elk jaar liggen.

  • AOW: exact hetzelfde, € 1.662,16 bruto en € 1.581,55 netto per maand
  • Pijler 2 en 3: niets
  • Gat tot € 4.000: ongeveer € 2.418 per maand

Netto is gerekend met de eerste schijf voor AOW-gerechtigden van 17,85% en de Zvw-bijdrage van 4,85%, met de loonheffingskorting op de AOW. Ouderenkorting en toeslagen zitten er niet in, dus via je aangifte komt er meestal nog wat bij.

Het hele verschil tussen Bram en Sanne, € 663 netto per maand, zit in die tweede pijler: Sannes vierde pijler moet dat bedrag extra dragen. Bram komt daarmee in de buurt van Jans € 2.430 netto uit het boek, met één verschil: Brams € 858 loopt door zolang hij leeft, terwijl Jan zijn pot over achttien jaar uitsmeert en daarna niets meer heeft.

Wat de Wet toekomst pensioenen verandert

Uiterlijk 1 januari 2028 moeten alle oude pensioenen zijn omgezet naar nieuwe pensioenen. Met een oud pensioen bedoelen we wat je onder de huidige regeling van je werkgever al hebt opgebouwd. Het omzetten daarvan heet invaren.

Nieuw is dat elke regeling een premieregeling wordt: je werkgever en jij storten premie, die premie wordt belegd, en je pensioen is wat de inleg plus het rendement waard is. Je pensioenuitvoerder houdt bij hoeveel er voor je is ingelegd en hoe dat bedrag groeit, en je pensioen kan daardoor eerder omhoog gaan, maar ook omlaag. Daarmee gaat je tweede pijler lijken op waar de rest van dit boek over gaat.

Iedereen gaat straks dezelfde premie betalen. Wie tussen de 40 en 55 is kan er daardoor op achteruitgaan, omdat zijn premie korter kan renderen, en daarvoor is compensatie mogelijk. Niet elke regeling verandert even veel, dus vraag je pensioenuitvoerder wat er voor jou verandert.

De vierde pijler: één beslissing

Het gat uit de voorbeelden vul je met je vierde pijler, en daar gaat dit boek van voor tot achter over. Nederland legt je daarbij één fiscale keuze op: je jaarruimte gebruiken, of gewoon in box 3 beleggen.

Wat de jaarruimte oplevert: je trekt de inleg nu af tegen je box 1-tarief van 35,75% tot € 38.883, 37,56% daarboven en 49,50% boven € 78.426, en de pot blijft buiten box 3 zolang het geld erin zit.

Wat het kost: je stelt de belasting uit, je ontloopt hem niet. De uitkeringen zijn later box 1-inkomen, dus je betaalt er inkomstenbelasting over tegen het tarief dat dan voor je geldt, en een ruime uitkering boven op je AOW kan een deel in de tweede schijf van 37,56% duwen in plaats van de eerste van 17,85%. Tot die uitkeringen beginnen kun je niet bij het geld: overmaken naar je betaalrekening kan niet, en de uitkeringen moeten uiterlijk ingaan in het jaar waarin je vijf jaar ouder bent dan je AOW-leeftijd. Haal je het er toch eerder uit, dan heet dat afkopen: je betaalt de belasting in één keer, plus 20% revisierente omdat je achteraf gezien te weinig belasting hebt betaald.

Reken het uit voor Sanne. Bij € 60.000 aan inkomen voor haar premiegrondslag is haar jaarruimte ongeveer € 12.250, en die inleg kost haar netto ongeveer € 7.650 omdat de aftrek in haar schijf 37,56% oplevert. Dat is € 4.600 per jaar dat ze kon beleggen in plaats van aan de Belastingdienst betalen, en over dertig jaar € 138.000. Daar staat tegenover dat het geld vastzit tot haar pensioen en er belast uit komt, in de eerste schijf tegen 17,85% en daarboven tegen 37,56%.

Pensioen- en belastingregels veranderen, en de cijfers hierboven horen bij 2026. Dit is algemene informatie en geen persoonlijk belasting- of pensioenadvies: leg je eigen situatie voor aan een adviseur.

We willen Idsert Joukes bedanken voor het nalezen van deze tekst.